maandag 14 april 2014

Miet en Griet 3

sluiten vriendschap

Als de zusters Zandvlo in IJmuiden, nog namokkend van boord gaan, lopen ze Twan Zeemeeuw tegen het lijf. Ze kennen hem oppervlakkig van de boulevard in Egmond.
Hij stroopt de hele kust af om aan de kost te komen en ook landinwaarts is hij vaste gast. Twan is een schreeuwlelijk en voor de duvel niet bang, maar er klopt een groot sociaal hart in deze vogel. ‘Wat kijken jullie narrig. Was het festival niet naar de zin? Ik heb me er kostelijk vermaakt en het eten was prima.’
Griet vertelt van haar act op het rouletteballetje en hoe dat afliep. Twan’s krijsende lach schalt over de pier. ‘Spring op’, zegt hij. ‘Ik vlieg jullie naar huis, of ik nou hier wat rondscharrel of in Egmond, het is mij om het even. Ik vlieg achter de duinen langs dan kunnen jullie genieten van de bollenvelden en bijkomen van het avontuur. Het is een zee van kleuren tussen Castricum en Egmond.’
‘En geuren’, zegt Griet. ‘Ik krijg hoofdpijn van hyacintenlucht.’
‘Zeur niet, Griet, we krijgen een lift naar huis. Het scheelt minstens twee dagen reizen.  Je knijpt boven de hyacinten maar even je neus dicht.’

Tijdens de vlucht scheert Twan over de bollenvelden en waarschuwt Griet als hij een hyacintenveld in het vizier krijgt. Van een eventuele vlooienmigraine wil hij de schuld niet krijgen en het lijkt hem voor Miet ook geen pretje. Die heeft zo al de pootjes vol aan haar zuster.
Vanaf hun plekje tussen de veren zien Miet en Griet van alles onder zich voorbij trekken. Ze wijzen op een rood ovaal gebouw.
’Dat is het voetbalstadion. Voor een meeuw gevaarlijk grondgebied. Tijdens de wedstrijden ben je er niet welkom en als je daarna probeert de grasmat met je poten om te woelen ben je je leven niet veilig. Mijn neef Jonat is er vleugellam geraakt. Een vogel die niet kan vliegen is ten dode opgeschreven.  We brachten hem naar dat andere grote gebouw, wat je vanaf hier ook kunt zien, dat is de vuilververbrandingsoven van Alkmaar. Het Mekka voor meeuwen, daar is het een komen en gaan van vuilniswagens en dus is er voldoende voedsel voor mij en mijn kornuiten. Jonat heeft daar een vaste stek en redt zich prima. Ik kan jullie wel eens meenemen op excursie.’
Miet ziet meteen mogelijkheden voor een langere vlucht, naar de Achterhoek bijvoorbeeld, en hapt toe.
Griet lijkt het maar een gore bende en sputtert tegen, de lucht daar is vervuild en niet goed voor je longen. ‘Longen? Hebben wij die dan?' vraagt Miet. ‘Waar moeten we die laten in onze kleine lijven. Jij hebt altijd wat te zaniken en vergalt een hoop plezier. Ga lekker onder de vlonder van Jan de Kwaker zijn strandhuis zitten kniezen. Ik ga met Twan op pad als hij dat vraagt.’
‘Meiden, ik ben een lawaaipapegaai met een grote bek, maar heb een hekel aan ruzie, denk er maar eens over. Misschien moeten we beginnen met een bezoek aan de kaasmarkt. Dat is rustiger en heeft wat meer standing. Moet je mij nou eens horen. Een meeuw die over standing praat. Kul natuurlijk want ik hang daar rond om ordinair te foerageren, dat gedoe met die berries, de malle loop van de kaasdragers en het luiden van de bel zal mij een zorg zijn. Ik kom daar om bij De Vlaming een patatje te scoren en bij de Mac haal ik een blaadje sla. Met een beetje mazzel laat een toerist een stroopwafel vallen en zie daar, Twan’s driegangenmenu is compleet. Om je vliezen bij af te likken. Tot september elke vrijdag prijs.’

‘Breng ons nou eerst maar naar huis’, zegt Griet. ‘Ik moet bijkomen van alle gebeurtenissen. Varen, rondjes draaien op de roulettetafel en een vliegreis, het is voor mijn zwakke gestel genoeg geweest.’
Miet haalt gelaten haar schouders op. Ze kent haar plek. Voorlopig maar even gas terugnemen, maar niet voor lang.
‘Kom donderdag even langs,’ fluistert ze Twan in zijn oor. ‘Eind van de week is ze wel weer voor een uitje te porren.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen