woensdag 23 december 2015

Miet en Griet 38

Eind goed al goed

De opmerking van Miet over de opvang op Texel heeft zijn doel niet gemist.
Griet heeft er een dag schuldbewust op zitten broeden, zich afvragend waarom ze tegen de afgedwaalde spreeuw is. Het beest heeft haar met geen haar gekrenkt en overlast heeft hij tot nu toe niet veroorzaakt. Zelfs voor hun deur ligt hij niet in de weg.
Griet zit met zichzelf in de knoop, wat is dat toch met haar. Altijd op haar hoede, nooit eens spontaan reageren. Het tegenovergestelde van haar zuster, die overal avontuur inziet en daardoor het risico neemt in zeven sloten tegelijk te lopen, waar Griet haar dan uit moet redden. Zou het angst voor het onbekende zijn? Zij moet altijd maar afwachten wat Miet overhoop haalt, maar hoe erg is dat nou helemaal? Iedere keer is gebleken dat alles op zijn pootjes terechtkomt. Meestal met behulp van Twan, maar toch …
Griet zucht eens diep, aan die angsthazerij moet een eind komen.

Buiten begint Sverre bij zijn positieven te komen. Naast hem zit een zorgelijke Miet trouw op wacht. Juist op dat moment strijkt Twan naast haar neer. Zoals gewoonlijk komt de meeuw als geroepen.
‘Wat ben jij lang weggebleven, zit de Haakongroep soms alweer in Zweden?
Hoe moet het nu verder? Het is Sverre gelukt zonder dat hij er weet van heeft een wig tussen Griet en mij te drijven. Ze zit binnen met een bui om op te schieten. Als die vogel voor nog meer onmin met mijn zuster zorgt, mag hij vandaag nog afreizen.’
Griet, die zich heeft voorgenomen de ruzie met Miet bij te leggen, vangt de laatste zin op.
‘Dat hoeft niet Miet, ik heb me kinderachtig gedragen. Wat maakt een buitenlandse spreeuw meer of minder uit, hij is geen reden om ruzie over te maken. Jij en ik hebben wel voor heter vuren gestaan.’
Miet haar bekje valt open van verbazing. Opgelucht omhelst ze haar zuster.

Twan vertelt dat de spreeuwen Amsterdam als overwinteringsplek hebben gekozen.
Er is daar op straat ruim voldoende te snaaien en doortrekken is niet noodzakelijk met de zachte winter hier. Weliswaar is Amsterdam voor een spreeuw als Sverre, met het verslavingsgen onder zijn veren, een verleidelijke stad, maar de rest van de groep zal goed op hem passen.
‘We wachten tot hij vliegklaar is en dan breng ik hem naar zijn soortgenoten.
Ik moet namens Haakon bedanken voor de opvang en mochten jullie zin hebben om naar Zweden te komen dan zijn jullie altijd welkom.’
Miet en Griet zijn er stil van. Ze kunnen 2015, een jaar waarin veel is gebeurd, met een gerust hart afsluiten.

Boven hun hoofden zet Sjef Kokkel een krijtbord op straat.
‘Tijdens de Kerstdagen is restaurant Zeeschuim volgeboekt.’

zondag 13 december 2015

Miet en Griet 37

Linke soep

In restaurant ‘Zeeschuim’ zijn de rapen gaar.
Sjef Kokkel heeft stiekem de beschadigde wietplanten als kruid in zijn beroemde soep laten verwerken.
Niet iedereen is bestand tegen het goedje en zo kan het gebeuren dat een aantal van de klanten na het eten van de soep onwel wordt. De eters klagen over duizeligheid en dubbelzien. Dergelijk nieuws gaat in het dorp als een lopend vuurtje en de lokale journalist pikt het bericht al snel op. Eindelijk weer eens een schandaaltje in het Sufferdje.
‘In restaurant Zeeschuim wordt de soep zo heet gegeten als hij wordt opgediend’, staat er boven zijn artikel. Heel Egmond smult van het verhaal.
De concurrentie wrijft zich al in de handen. Dit bericht kan het restaurant van Sjef noodlottig worden.
Tante Wiertje, de bedenkster van het onvolprezen gerecht, begrijpt er niets van. Zij heeft geen andere handelingen verricht en weigert te geloven dat de plotselinge ziekte die haar soep aanricht een gevolg is van haar receptuur. Sjef vertelt zijn tante van zijn geheime kas en de weggewerkte schade. Wiertje dient haar neef gepeperd van repliek.
Haar kookkunst en het restaurant zo te kijk zetten, is hij helemaal gek geworden. Heeft hij soms zelf van dat spul uit de kas gerookt? Ziet hij het nog wel helder?  Nog een keer zo’n misser en zij staat in de keuken van eetcafé de Branding. Hij weet, met haar vertrek kan hij zijn tent sluiten. Ze besluit haar relaas met een een reddingsactie.
‘We nodigen de vuilspuitende correspondent en de slachtoffers uit voor een gratis diner om het goed te maken. We leggen uit dat we een vervuilde zending kruiden hebben gebruikt. Die schuldbekentenis moet uiteraard in het Sufferdje worden geplaatst. Daarmee is mijn  eer en jouw restaurant gered. Wat jij in het duin uitspookt met die motormuizen uit de regio is jouw zaak, maar je houdt louche praktijken en restaurant voortaan gescheiden.’
Sjef sputtert nog wat over het gratis diner, maar kiest toch eieren voor zijn geld.
Meer schade kan hij zich niet permitteren.

Griet die het bewuste artikel over de soep zit te lezen, houdt haar zuster de krant onder de neus. ‘Wat denk je, zou die spreeuw en de ziekmakende soep te combineren zijn? Jij hebt vorig jaar samen met de strandjutter dat kasje van Sjef ontdekt, ik vraag me af of één en één hier twee is. Er zit een luchtje aan dit gedoe. Trouwens, Twan blijft wel erg lang weg.
Alle kans dat die Scandinaviërs voortvluchtig zijn. Ik vrees dat we nog lang niet van de spreeuwentroep zijn verlost.’
‘Nou en?’ Miet haalt haar schildje op. ‘Je bent wel snel vergeten dat we zelf dit voorjaar afhankelijk zijn geweest van de opvang op Texel. Als Sverre een zandvlo zou zijn zou je vast anders praten. Wel eens van tolerantie gehoord?’

In huize Zandvlo wordt de rest van de dag gezwegen en zakt de stemming onder nul.