zondag 1 maart 2015

Miet en Griet 31

Miet en Griet gaan kopje onder

Griet voelt zich in de zandhoop op het terras van eethuis Sjans meteen op haar plaats.
Miet is niet blij met de stek en scharrelt nog wat rond. Achter de voordeur van het eethuis ziet ze schoonmaakspullen staan, de aanblik van een bezem en een hogedrukspuit maakt haar ongerust. In paniek hipt ze naar de hoek van het terras.
‘We kunnen hier niet blijven, ’t is doodgevaarlijk. Er staat een hogedrukspuit klaar, alle kans dat ze die morgen op de tegels zetten. Ik wil niet de verdrinkingsdood sterven. Morgen bij zonsopgang ben ik weg.’

‘Tjonge, wat jij niet aan smoezen bedenkt om je zin te krijgen. Ik voel me hier prima en vertrek voorlopig niet. Hogedrukspuit, nou en, wij zandvlooien kunnen toch wel tegen een straaltje water. Tegen dat ze de boel in stelling hebben gebracht zijn wij al lang wakker en kunnen de werkzaamheden vanaf een afstandje bekijken. Als het klaar is zitten we zo weer in de hoek. Er gaat nog geen dag voorbij voordat er vanuit zee met de wind meegebracht opnieuw een beetje zand ligt, zoveel hebben we niet nodig. Paniek om niks, ik ga slapen.’

Op het dak van snackbar Paul Patat zijn Chiel en Twan voor de nacht neergestreken.
Chiel zit met de gewetensvraag. Zal hij Twan waarschuwen voor het gevaar dat de zusters lopen of laat hij de eventuele gebeurtenissen op zijn beloop. Hij kan die twee wel een belasting voor zijn maat vinden, maar die denkt er zelf duidelijk anders over.
Hij slaapt er onrustig van. De volgende morgen wanneer ze elk aan een kant van een restant stokbrood staan te sjorren begint hij er over met Twan.

‘Heb je gezien dat bij eethuis Sjans de hogedrukspuit klaarstaat om het terras schoon te spuiten? Jouw vriendinnen lopen grote kans om vandaag weggespoeld te worden, via de goot naar het putje en hup het riool in. Het is een manier om ze kwijt te raken, maar ik vermoed dat jij dat helemaal niet wilt. Ik hou best van rellen, jatten en vervuilen, maar de dood van jouw vriendinnen op mijn geweten hebben, dat gaat me niet lukken. Laten we ze waarschuwen en naar elders brengen, desnoods nemen we ze mee naar Terschelling.’

Bij het terras aangekomen blijkt het onheil al geschied. Een personeelslid van het eethuis staat de tegels met een venijnige straal te bewerken. De hoeken zij al schoon gespoten en van de zandvlooien is geen spoor te bekennen.
Twan zakt van schrik door zijn poten en belandt in shock op de stoep. Chiel laat zich door de waterstraal niet weerhouden en klapwiekt naar de plek waar de zussen zich veilig waanden, maar de schoonmaker duldt geen meeuwen op zijn schone tegels en geeft Chiel de volle laag, die op zijn beurt de aanval opent en een paar keer laag over de kruin van de man vliegt, maar de waterstraal wint. Beide meeuwen kijken verslagen naar het drama dat zich op het terras voltrekt.
Twan komt tot bezinning. ‘Chiel laten we de goot afstropen, wie weet vinden we ze en valt er wat te redden. Jij gaat linksom, ik ga rechtsaf. We zien elkaar over een kwartier op deze plek terug.’

Twan ziet op een patatzak de ochtendzon weerkaatsen, hij vindt Griet meer dood dan levend vastgeplakt in een klodder mayonaise. Voorzichtig trekt hij haar los, neemt haar tussen zijn snavel en vliegt haar in veiligheid naar het dak van de snackbar.

‘Griet hoor je me? Ligt Miet ook ergens in die goot?’
Ze kreunt ‘Ik weet het niet, Miet wilde vroeg uit de veren omdat ze bang was dat het terras zou worden schoongespoten. Ik vond dat onzin en heb haar verweten dat het een smoes was om haar zin door te drijven. Nu weet ik beter, het was verschrikkelijk hoe dat water in de zandhoop binnendrong en mij op die harde straal het hele terras over spoelde, daarna werd ik nog een paar meter door de goot gesleurd, uiteindelijk kon ik me aan een patatzak vastklampen. Zou Miet hetzelfde overkomen zijn of zou ze me echt alleen achtergelaten hebben. Hoewel het een rotstreek is hoop ik het laatste, want dat zou betekenen dat ze nog leeft.’

‘Je kan veel van Miet zeggen, maar zo gemeen is ze niet. Ga jij in de zon liggen om op te warmen, dan ga ik op zoek naar je zuster.’

Opnieuw vliegt Twan laag over de goot, maar hij vindt haar niet. Chiel zit voor eethuis Sjans op de stoep te wachten en schudt mismoedig zijn kop. ‘Ik heb van alles voorbij zien drijven, maar van de zandvlooien geen spoor.’
Twan vertelt dat Griet in veiligheid is en de meeuwen besluiten de dorpsstraat nog een keer in alle richtingen te inspecteren. Maar hoe ze ook hun best doen, Miet lijkt van de aardbodem verdwenen.
‘Weet je zeker dat we alle plekken waar een zandvlo kan blijven steken hebben bekeken? Wie weet ligt ze wel achter of onder de afschutting van het terras, we hebben aangenomen dat ze naar de goot zijn gespoeld, maar misschien is zij in een kiertje beland en ligt ze daar nog.’

‘Dan moeten we wachten tot die vent klaar is met zijn terras want die laat ons nu vast niet toe. We moeten haar vinden, zonder haar kunnen we Griet niet onder ogen komen. Stel je voor dat ze daar ergens verdronken ligt, je moet er niet aan denken. Als ze dood is moet ze in elk geval in een zandkuiltje worden begraven.’

Het terras van eethuis Sjans ligt er nat en verlaten bij. De meeuwen beginnen de zoektocht naar hun vriendin. Zolang de medewerker zich niet vertoont kunnen ze ongestoord hun gang gaan. Zullen de meeuwen Miet vinden of zit zij ergens hoog en droog in het duin en heeft geen weet van de gebeurtenissen?

Terschelling moet maar even wachten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen